This is main content

Tijdelijke opslag en transport

Toezicht bij Opslag en transportbedrijven

De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) wil steeds meer branchegericht gaan ‘toezien’. De ODZOB heeft daarom gekozen om voor diverse thema’s een branchegerichte aanpak, waaronder de branche van opslag & transportbedrijven (hierna O&T), te realiseren.

Voorheen is in een deelnemende gemeente projectmatig toezicht gehouden op gevaarlijke stoffen bij opslag- en transportbedrijven. De uitvoering vond plaats in een samenwerking tussen medewerkers van de ODZOB, de gemeente en de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost (VRBZO). De focus lag daarbij op de aanwezige gevaarlijke stoffen in logistieke situaties (tijdelijke opslag), in warehouses en de naleving van de bijbehorende wet- en regelgeving. De Veiligheidsregio keek met name naar ontvluchting, beperking van brandverspreiding en bereikbaarheid.

De bezoeken vonden plaats in de namiddag, avond en nacht. Dit zijn de tijden dat distributie-, koerier- en expressbedrijven de meeste activiteiten hebben; men verwacht dat goederen die vandaag worden verzonden morgen op de bestemming worden afgeleverd.

Bij de inspecties bleek dat er bij veel bedrijven een of meerdere overtredingen met betrekking tot gevaarlijke stoffen voorkwamen.

Naar aanleiding van de vele bedrijven die in overtreding bleken te zijn, wordt dit project nu in de hele regio Brabant Zuidoost uitgevoerd. De bezoeken worden zoveel als mogelijk buiten de dagperiode uitgevoerd; niet alle transportbedrijven werken ’s avonds/ ’s nachts.

Wetgeving

Uw bedrijf valt met betrekking tot milieuwetgeving waarschijnlijk onder algemene regels. In de volgende situaties hebt u voor uw bedrijf een omgevingsvergunning nodig voor de activiteit milieu;

  • Er is een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen, met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kg aanwezig;

  • Op enig moment in een brandcompartiment tijdelijke opslag plaats vindt van in totaal meer dan 10.000 kg gevaarlijke stoffen in verpakking of CMR-stoffen in verpakking;

  • voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;

  • het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen

Er kunnen nog andere redenen zijn waarom er voor uw bedrijf een Omgevingsvergunning noodzakelijk is, maar voor logistieke bedrijven zullen de bovenstaande het meest voorkomen. Voor een volledig overzicht kunt u het Besluit Omgevingsrecht raadplegen.

Indien er voor uw bedrijf een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is verleend moet de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden volgens de vergunning. Als een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is voor uw bedrijf, is het waarschijnlijk dat uw bedrijf moet voldoen aan het Activiteitenbesluit en de PGS 15:2016, die spoedig van toepassing wordt op bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Zolang deze nog niet van toepassing is, moet uw bedrijf voldoen aan de PGS 15:2011.

 

 PGS 15: 2016

Hoofdstuk 5 Voorzieningen voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

Hoofdstuk 5 (in de voorgaande PGS 15 Hoofdstuk 10) is een hoofdstuk dat is bedoeld voor de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen bij bedrijven of instellingen, die voorafgaand of aansluitend aan transport buiten een opslagvoorziening conform de hoofdstukken 3 t/m 9 verblijven.

Er is daarbij onderscheid gemaakt naar tijdelijke opslag tot 10.000 kg onder werktijd en buiten werktijd en de opslag tot 30.000 kg onder werktijd. Voor bedrijven die buiten werktijd meer dan 10.000 kg willen opslaan, gelden de ‘normale' voorschriften uit voorgaande hoofdstukken.

Inleiding

Voor het tijdelijk opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen, voorafgaand aan of aansluitend op transport, buiten een reguliere opslagvoorziening zoals beschreven in hoofdstukken 3 t/m 9, is hoofdstuk 5 van toepassing. Dit wordt ook wel benoemd als "overslag" of "crossdocking".

De werkingssfeer van dit hoofdstuk gaat daarmee over bedrijven die actief zijn in de transportketen. Het is dus bedoeld als opslag voorafgaand of aansluitend op een transportbeweging. Daarnaast zijn de verpakte gevaarlijke stoffen ADR verpakt en ongeopend.

Wanneer de verpakte gevaarlijke stoffen worden ontvangen voor gebruik binnen het eigen bedrijf of inrichting dan geldt dat deze direct opgeslagen dienen te worden in een PGS 15 opslagvoorziening conform hoofdstuk 3 t/m 9.

Toepassingsgebied
Hoofdstuk 5 is van toepassing op de tijdelijke opslag van verpakte gevaarlijke stoffen binnen de transportketen. Hieronder wordt verstaan de opslag voorafgaand of tijdens transport. Indien een (productie)bedrijf een expeditieruimte heeft, welke gebruikt wordt voor het klaar zetten van verpakte gevaarlijke stoffen, kunnen de voorschriften uit hoofdstuk 5 hierop van toepassing zijn. Ook het overslaan bij een groothandel van verpakte gevaarlijke stoffen valt hier onder.

Hoofdstuk 5 is niet van toepassing voor gevaarlijke stoffen van:

  • ADR, verpakkingsgroep I

  • ADR, Klassen 1, 2.3 en 7

  • ADR, klasse 5.2 (m.u.v. LQ tot 1.000 kg)

  • ADR, klasse 6.2, (m.u.v. UN 3291 en UN 3373)

  • Gasflessen (tenzij de tijdelijke opslag in de buitenlucht plaats vindt)

  • Verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen in geparkeerd transportmiddel

Het tijdelijk opslaan van deze stoffen in een voorziening volgens hoofdstuk 5 van de PGS 15 is alleen toegestaan nadat op basis van de gevaaraspecten van de stoffen aanvullende voorschriften worden vastgelegd in maatwerk of een omgevingsvergunning. Indien dit er niet is kunnen gevaarlijke stoffen tijdelijk opgeslagen worden in een voorziening voor de opslag van gevaarlijke stoffen volgens de hoofdstukken 3 tot en met 9 van de PGS 15.

Relatie tussen hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5
In voorschrift 5.4.1 worden verschillende voorschriften uit hoofdstuk 3 overeenkomstig van toepassing verklaard op de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen. Het betreft verwijzingen naar voorschrift  3.2.4 evenals de paragrafen 3.4 tot en met 3.8, 3.10 tot en met 3.18 (met uitzondering van vs. 3.13.3), 3.19 met uitzondering van paragrafen 3.19.1 en 3.19.2.

In hoofdstuk 5.5 en 5.6 zijn aanvullende voorschriften (ten opzichte van hoofdstuk 5.4) opgenomen voor de tijdelijke opslag tot 10.000 kg. Hierbij wordt nog onderscheid gemaakt in de aanwezigheid van deskundig personeel of niet.

De verwijzing naar voorschrift 3.2.4 leidt ertoe dat in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 2500 kg verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn.

Door middel van maatwerk of een omgevingsvergunning kan een grotere hoeveelheid worden toegestaan, maar dan kunnen extra maatregelen of voorzieningen worden geëist ter beperking van de risico's.

In voorschrift 3.2.9 van de PGS 15 2012 werd aangegeven dat hier in ieder geval aan voldaan wordt indien er een gecertificeerde brandmeldinstallatie overeenkomstig NEN 2535 met doormelding naar een 24-uurs bezette post. Maar ook andere (of aanvullende) maatregelen zijn mogelijk. Deze maatregelen (dus ook de gecertificeerde brandmeldinstallatie) moeten echter wel getoetst worden door het bevoegde gezag en vastgelegd te worden in maatwerk of in de omgevingsvergunning.

Voorbeeld 5.5:

De opslag in een "paardenbox" (conform hoofdstuk 5.5) mag tot 2500 kg zonder verdere aanvullende eisen of voorzieningen. Indien er 4 boxen worden geplaatst met ieder maximaal 2500 kg zijn er geen aanvullende voorzieningen nodig.

Indien in een "paardenbox" meer dan 2500 kg wordt opgeslagen is het voor het bevoegde gezag noodzakelijk om dit door middel van de omgevingsvergunning danwel maatwerk toe te staan en tevens mogelijk om nadere eisen te stellen aan de betreffende voorziening voor de tijdelijke opslag.

Voorbeeld 5.6:

Indien de opslag wordt uitgevoerd conform hoofdstuk 5.6 mag ten hoogste 10.000 kg in een brandcompartiment tijdelijk worden opgeslagen indien er deskundig personeel aanwezig is. De tijdelijke opslag mag dan plaats vinden in een duidelijk gemarkeerd vak. Ook voor 5.6 is een verwijzing naar voorschrift 3.2.4 van toepassing.

Indien er dus meer dan 2500 kg wordt opgeslagen in het vak moet er een nadere beoordeling door het bevoegd gezag worden uitgevoerd conform voorschrift 3.2.4. In hoofdstuk 5.6 is het uitgangspunt dat er sprake is van 1 vak.

Indien er meer dan 2500 kg en tot maximaal 10.000 kg wordt opgeslagen in 1 vak moet dit door middel van maatwerk of een Omgevingsvergunning toegestaan worden. Wel kan het bevoegd gezag nadere voorzieningen stellen aan de tijdelijke opslagvoorziening.

In hoofdstuk 5.7 worden extra voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing verklaard. Naast de voorschriften zoals genoemd in 5.4.1 zijn ook de voorschriften 3.9 en 3.19 van toepassing op de voorziening voor tijdelijke opslag. De voorschriften 3.2.2., 3.2.3, 3.2.5 en 3.2.10 zijn van toepassing op het brandcompartiment waarin de voorziening voor tijdelijke opslag is gesitueerd. van toepassing.

In paragraaf 3.2 zijn verschillende bouwkundige eisen gesteld aan de opslagruimte. Hierbij wordt onder andere verwezen naar voorschrift 3.2.1, waarin is opgenomen dat een opslagvoorzieningen een brandcompartiment is met een oppervlakte van maximaal 1000 m2 en naar 3.2.2 waarin opgenomen is dat er een WBDBO van 60 minuten dient te zijn.

Dit betekent dat een opslagvoorziening voor de tijdelijke opslag tot maximaal 30.000 kg moet bestaan uit een bouwkundige opslagvoorziening zoals bedoeld in hoofdstuk 3.2. Aanvullend hierin dient de opslagvoorziening een gecertificeerde brandmeldinstallatie overeenkomstig NEN 2535 met doormelding naar een 24-uurs bezette post en dient er rook en warmte afvoer aanwezig te zijn. Indien gekeken wordt naar voorschrift 3.2.4 mag er in de ruimte meer dan 10.000 kg aanwezig zijn omdat de opslagvoorziening is uitgevoerd met voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 4 (zie de tekst bij de Toelichting)

Wat is deskundig toezicht? (aantoonbaarheid)
In de PGS wordt verwezen naar deskundig personeel zoals bedoeld in voorschrift 3.14.1. De deskundige dient in dat geval in ieder geval voldoende vakbekwaam te zijn op het gebied van het omgaan met gevaarlijke stoffen en de bestrijding daarvan in geval van calamiteiten.

Tijdens toezicht zal worden getoetst of de aanwezige deskundige vakbekwaam is door vragen te stellen over de aanwezige gevaarlijke stoffen, mogelijk incidenten en de te nemen maatregelen om de gevolgen van een incident te beperken. Ook zal de betreffende persoon (globale) kennis moeten hebben van de actueel aanwezige gevaarlijke stoffen. Het idee hierachter is dat deze persoon de hulpdiensten kan opvangen en informeren over de actuele risico’s.

Deze informatie is ontleend aan de PGS 15:2016 welke hier te vinden is.